Een van de meest basale zaken die je voor de fotografie moet leren kennen is de belichtingsdriehoek. Deze bepaalt hoe je een goed belichte foto kunt maken.
De belichtingsdriehoek bestaat uit drie zijden die elk afzonderlijk de belichting beïnvloeden, door deze drie factoren optimaal te beïnvloeden maak je uiteindelijk een goed belichte foto. Veel van de tegenwoordige camera's kunnen dit ook automatisch voor je regelen. Dit heeft echter wel een beperking, want het algoritme achter deze functie levert niet altijd de beste resultaten op. Zo worden sneeuwfoto's vaak onderbelicht en avond- en nachtfoto's juist overbelicht. Om deze problemen te voorkomen hebben de camerafabrikanten dan weer voor deze situaties aparte instellingen gemaakt. In dit artikel worden de drie variabelen afzondelijke behandeld. In aparte artikelen wordt dan weer dieper ingegaan op elk van deze variabelen.

Diafragma
Met het diafragma kun je de hoeveelheid licht bepalen dat van buitenaf de sensor bereikt. Hoe kleiner het diafragmagetal, des te minder licht wordt tegengehouden. Hoe meer licht wordt tegengehouden, des te meer moeten de waarden van de ISO-instelling of de sluitertijd dit compenseren. Overigens heeft de instelling niet alleen gevolgen voor de belichting, maar ook voor de scherptediepte. Daarmee bepaal je welk gebied vanaf de camera scherp wordt weergegeven.
Over het instellen van het diafragma staat een apart artikel elders op BuurtMaken.nl.

De camera is scherp, maar de beide lenzen aan de linker- en rechterkant niet
Sluitertijd
Vaak worden diafragma en sluitertijd aangepast aan de omstandigheden. Wanneer het diafragma veel licht doorlaat kan met een korte sluiterijd worden volstaan en andersom wordt de sluitertijd langer wanneer er minder licht door de lens op de sensor komt.
Ook de sluitertijd wordt niet alleen voor de belichting gebruikt. Een korte sluitertijd heeft namelijk als bijeffect dat de bewegingen worden bevroren. Het lijkt dus net alsof het object dat je fotografeert stil staat (bevroren is). Andersomkun je door een lange sluitertijd de beweging in beeld brengen. Dat kan grofweg op twee manieren, namelijk het object zelf bewegingsonscherpte geven door het toestel niet mee te laten wegen in de richting van het object. Als tweede optie is om juist wel mee te bewegen met het object. In dat geval blijft het object scherp en vervaagt de achtergrond.
Over het instellen van de sluitertijd zal later een apart artikel op BuurtMaken.nl worden geplaatst.

Door het meebewegen met de voorste renners, zijn de renners op de achtergrond onscherp
ISO-waarde
De vroegere analoge camera's hadden een filmpje dat was ingesteld op een ISO-waarde. Hiermee werd de lichtgevoeligheid van het filmpje aangegeven. Een lage waarde had een lage lichtgevoeligheid en een hoge een hoge lichtgevoeligheid. Met een hoge waarde heb je dus minder licht nodig voor een goede foto en met een lage juist meer. Op zonnige dagen gebruik je dus een lage ISO-waarde en in het donker een hoge.
De hoge ISO-waarde heeft wel het bij effect dat de foto minder scherp wordt. De pigmentvlekken worden grover en dat maakt de uiteindelijke foto korreliger en minder vloeiend.
In ons digitale tijdperk is er ook een soort gelijk procedé gemaakt, maar in plaats van een korrel ontstaat er meer ruis op de sensor en dat levert ook minder vloeiende en meer vlekkerige foto's op. Dit is vaak vooral goed te zien in de donkere delen van de foto.
Alhoewel de modernere camera's met steeds hogere ISO-waarden kunnen fotograferen is de basisstelregel dat je de ISO-waarde zo laag mogelijk houdt, om deze ongewenste effecten zoveel mogelijk te vermijden.
Over het instellen van de ISO-waarde zal later een apart artikel op BuurtMaken.nl worden geplaatst.

Deze foto is bewust wat overbelicht om de effecten van een hoge ISO-waarde duidelijk te maken.