Op 11 mei plaatsen de Plaatselijke Commandant C. van 't Land, de voormalige PIaatselijke Commandant: B. Materman en Burgemeester I.N Th. Diepenhorst een artikel in de plaatselijke pers.
Vandaag het eerste gedeelte daarvan.
Nu de bevrijding van ons geheele Vaderland in de voorbije week een feit is geworden, past het ons als goede Nederlanders zeker, met onze gedachten even stil te staan bij het schrikbeeld van de nu gelukkig voorbije, bezettingstijd. We roepen in onze gedachten even terug den Vrijdagmorgen van den 10 Mei 1940 toen we in de vroegte werden opgeschrikt door de explosies waardoor de IJselbruggen werden opgeblazen. Heel spoedig daarop zagen we in ons dorp de eerste soldaten deel uitmakende van het in dat jaar overal zegevierende Duitse leger.
Bijna tegelijkertijd verschenen op alle mogelijke aanplakplaatsen de bekendmakingen, waarbij de bevolking werd aangeraden rustig te blijven. Immers een, zichzelf respecteerend leger, gebonden als het was aan bepalingen, neergelegd in het zoogenaamde Oorlogsreglement, zou een rustige bevolking zeker geen andere lasten opleggen dan die welke door oorlogsnoodzaak geboden werden.
Al spoedig verschenen in de nieuwsbladen redevoeringen om ons volk te verzekeren dat we onder de bescherming van Duitschland niets te vreezen hadden en zeer velen werden door de Duitse propaganda, in pers en per radio, dermate beïnvloed, dat men zich spoedig nadat de oorlog op ons eigen Nederlandsch gebied geëindigd was, tamelijk rustig ging gevoelen.
Twee categorieën in ons volk sloegen echter met de grootste zorg de ontwikkeling van de toestand in de wereld gade. Het waren in de eerste plaats de Joden die met voorbeeld van wat in Duitsland zich had afgespeeld, voor oogen, van stonde aan hun bestaan en leven bedreigd voelden. Dan was daar ook dat deel van ons volk dat, lang voor Mei 1940 den waren aard van het Nationaal Socialisme had doorzien, en dus wist wat er moest volgen.
Op allerlei wijze en met allerlei methoden is getracht een brug van mogelijke samenwerking te slaan tusschen den vijand, die het toch „zoo goed bedoelde" en ons volk. Inderdaad is door velen gemeend, dat de manier om nog het best door den oorlog heen te komen, zou zijn, met den vijand van 10 Mei 1940 zoo loyaal mogelijk aan te pappen". Echter het goed nationaal en principieel zuiver voelende deel der bevolking begon zich af te scheiden. De z.g.n. binnenlandsche politiek, die een tijd lang verwarring en onzekerheid had te zien gegeven, vertoonde langzamerhand het beeld van een totaal onmondig volk. Ondanks beloften van het „Herren" volk, volgde het eene verbod op het andere, maar natuurlijk, — alles omdat men het zoo goed met ons meende.
- wordt vervolgd -