Iedereen kent het verhaal van D-day, een armada brengt in een dag tijd ongeveer honderdduizend geallieerde militairen aan land op de Normandische kusten. Ze ontmoeten een felle Duitse tegenstand, niet alleen op het moment dat ze daar aan land komen, maar juist ook in de dagen erna.
De geallieerde overmacht is groot, de luchtmacht is oppermachtig en op zee zijn de geallieerden ook sterk in het voordeel. Maar op de grond is het een ander verhaal. Dankzij de ondersteuning van de luchtmacht zijn de Duitse aanvoerlijnen sterk verstoord, wat de geallieerden een tijdelijk voordeel geeft. Maar het landschap landinwaarts, met smalle weggetjes en veel heggen, is sterk in het voordeel van de Duitsers. Zij kunnen zich op allerlei plekken verschansen en voor hinderlagen zorgen.
Nadat op de eerste dag veel doelen zijn gehaald, strandt de opmars van de geallieerden en is er een brede strook land veroverd, maar komt men niet verder dan ongeveer tien kilometer landinwaarts. Er ontstaat een impasse, die ongeveer zeven weken duurt en waaruit de geallieerden zo snel mogelijk moeten zien te komen. Wanneer ze er niet snel uitkomen kunnen de Duitsers zich versterken en bovendien sterkt dat hun moraal.
Nadat de Amerikanen met operatie Cobra in het westen van het front een bommentapijt over de Duitse linies hebben gelegd, weten ze op de grens met Bretagne in zuidelijke richting door te breken. Nadat ze vervolgens naar het oosten afbuigen, dreigen ze bij Falaise een grote Duitse troepenmacht (ongeveer veertig divisies) in te sluiten. Het levert een groot aantal krijgsgevangenen op.
Pas in augustus kunnen de geallieerde troepen beginnen met de bevrijding van West-Europa, waar ze nog veel weerstand van de Duitsers zullen ondervinden. De Canadezen nemen de linkerflank voor rekening en bevrijden de kuststreken naar het noorden. De Amerikanen bevrijden op de rechterflank het centrale gebied van Frankrijk en trekken op richting de Rijn. De Britten nemen het midden voor rekening en trekken via Parijs richting België.