Nadat de geallieerden in Oost-Nederland snel naar het noorden oprukten, kon de blik ook naar het westen worden gericht. De IJssel is een natuurlijke hindernis en een oversteek ervan is lastig. De bruggen erover lagen telkens bij steden en dat maakte een aanval moeilijk, want de geallieerden wilden de burgers zoveel mogelijk sparen.
De plaats om over te steken moet natuurlijk aan een aantal voorwaarden voldoen. Het moet goed bereikbaar zijn, voldoende kunnen worden beveiligd en aan de overkant, moeten de overstekende troepen ook voldoende ruimte hebben. Er waren een aantal plekken die aan die voorwaarde voldeden, onder meer bij Westervoort en Gorssel.
Voor de plek bij Gorssel was het van belang dat eerst Zutphen (op 8 april) en Deventer (op 9 april) werden bevrijd. Daarmee voorkwamen de geallieerden dat ze aan de oostzijde van de IJssel in de rug konden worden aangevallen. Dat zou desastreus zijn voor de overgestoken troepen.
Op 11 april waren de omstandigheden voor de geallieerden zodanig dat ze de oversteek over de IJssel (operatie Cannenshot) maakten. Na de oversteek van de eerste troepen, begon de genie aan het bouwen van een drijvende brug, zodat het overige materieel en troepen snel kon worden aangevoerd. De troepen waaierden uit naar alle kanten en gingen op weg naar hun doelen. Plaatselijk ondervonden ze stevige weerstand.
Bij Westervoort startte een dag later operatie Anger. Na een beschieting van Arnhem staken geallieerden ook daar de IJssel over, waardoor er op de Veluwe twee plekken waren, waar de Duitsers zich moesten verdedigen. Beide opmarsen maakten al spoedig contact bij het Apeldoorns Kanaal bij Dieren.
Met de operatie Cleanser werd vervolgens de Veluwe bevrijd. Het eerste doel was door te stoten naar de Zuiderzee, om daarmee de troepen op de Noord-Veluwe te isoleren en tot overgave te dwingen. Alhoewel de Canadeze richting Apeldoorn optrokken was het niet de bedoeling dat dorp frontaal aan te vallen. Daarmee zouden teveel slachtoffers vallen onder de burgerbevolking.
Ondanks de eerste felle weerstand, zagen veel Duitsers wel in dat de positie op de Veluwe onhoudbaar was en daardoor trokken ze zich al snel terug naar het westen. Op die manier kwam Apeldoorn relatief eenvoudig in handen van de geallieerden.
Op verschillende plaatsen kwam het nog tot felle gevechten tussen de oprukkende geallieerden en de terugtrekkende Duitsers. Otterloo en Voorthuizen zijn hier voorbeelden van.
De noordelijke Veluwe bleef eerst van secundair belang. Vaassen werd direct na de bevrijding van Apeldoorn bevrijd, omdat daarmee de rechterflank van de geallieerden beveiligd werd. Verder naar het noorden was in eerste instantie niet nodig en daardoor werden Emst en Epe pas op 19 april bevrijd. De feestelijkheden startten voor de bewoners van de dorpen eenvoudig, ze kwamen samen en zongen en vierden feest. De formele feestelijkheden (met bijvoorbeeld optochten en triomfbogen) werden echter pas op Koninginnedag 1945 (31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina) gehouden.
Voor collaborateurs waren deze dagen natuurlijk niet feestelijk. Ze ondergingen vernederingen en werden door de plaatselijke ordediensten opgepakt.
De afbeeldingen zijn overgenomen uit:
The Victory Campaign, het derde deel uit de officiële geschiedschrijving van de Canadezen.