Om 6.30 uur vertrokken we uit ons hotelletje in Gvardyeysk. De eigenaresse zat al achter de receptie om de sleutels van onze kamers in ontvangst te nemen, zoals ze dat overigens iedere morgen wilde (de eerste dag brulde ze zo hard toen wij het hotel uitliepen mét de sleutels dat wij dachten dat we een halsmisdaad hadden begaan).
Ook een vreemde gewoonte was dat ze wilde dat er iedere morgen betaald moest worden voor de komende nacht (maar wellicht was dit op wijsheid van minder prettige ervaringen gestoeld). We kwamen er dus noodgedwongen tweemaal daags en dat zou nog te doen zijn, ware het niet dat er een buitengewoon onaangename geur hing. Wel was waardevol dat ze een goede nota had opgemaakt van ons driedaagse verblijf (alsof ze met John ten Arve had gesmoesd). Na een ondanks alles hartelijk en welgemeend “da swiedanya” (tot ziens) verlieten we de ook nu weer stinkende receptie.
Het was prachtig, helder weer, we zagen in het oosten een grote ster en een kleine eronder, plus de volle maan bij een temperatuur van maar liefst -12 graden Celsius en om 7.40 uur bereikten we al de grens. De vrouwelijke douanebeambte sprak tot onze verbazing Engels en was bijzonder vriendelijk en behulpzaam, wees de weg naar waar ik mijn papieren moest brengen en alles klopte. Wel heb ik even mijn antieke koffertje moeten ontsluiten, maar toen de mannelijke beambte mijn vuile was zag, mocht ik hem onmiddellijk weer toesluiten. Ook een tasje van Anneke moest worden geopend, daar kwamen echter alleen wélriekende geuren uit. (het was namelijk haar make-up, poeder en schminktasje). Hevig geschrokken van de hoeveelheid flesjes mocht ook dat snel worden dichtgeritst, gevolgd door een medelijdende blik richting echtgenoot Harm, die iedere dag urenlang door weer en wind in Vaassen post moet bezorgen om deze schoonheidsmiddelen te kunnen financieren. Hoe ook, we waren razendsnel, om half negen al, de grens over.